Deze uil lijkt veel spookachtiger dan de andere uilen. Dat komt door
zijn witte “sluier” (gezicht) en de zwarte ogen. Bovendien zijn sommige
kerkuilen ook nog eens wit op hun buik en ondervleugels. De bovenkant
is geelbruin met grijze vlekjes. De kerkuil broedt graag in schuren
en kerktorens. Een goede nestplaats alleen is niet voldoende. Er moet
ook veel voedsel te vinden zijn (muizen). Het liefst jaagt hij langs heggen,
ruige grasbermen en houtwallen. In de moderne landbouw zijn dit
maar obstakels. Daarom verdwijnt dit landschap steeds meer. Daar
komt nog bij dat moderne schuren en kerken niet meer geschikt zijn om
te broeden. Van de minstens drieduizend broedparen in de jaren zestig
waren er eind jaren zeventig nog geen 100 meer over. Door onder andere
het ophangen van nestkasten gaat het nu weer beter met de kerkuilen.
De laatste jaren schommelt het aantal rond de 1000 paren. In jaren dat
er veel muizen zijn kunnen dat er zelfs wel 1400 zijn.
Bosuil